01/09/2026
‘Maar het is mijn kindje…’
Mevrouw liep al een tijdje met een baby in haar armen.
Niet zomaar een pop, vond zij.
Het was haar kindje.
Ze wiegde het zachtjes heen en weer, zong af en toe een oud slaapliedje en keek regelmatig bezorgd naar het gezichtje van de baby.
“Hij heeft zeker honger,” zei ze dan.
Of:
“Stil maar hoor, mama is bij je.”
Voor ons was het een herkenbaar beeld bij dementie. Soms komt een oude herinnering ineens weer naar boven en neemt iemand een rol aan die vroeger zo belangrijk was. Het moederschap zat diep in mevrouw verankerd.
Maar haar zoon vond het vreselijk.
“Ze is toch geen moeder meer? Ze is mijn moeder. En dat is gewoon een pop.”
Op een dag liep hij binnen terwijl zijn moeder de baby liefdevol in haar armen hield.
Hij keek ernaar en zuchtte.
“Leg dat ding maar weg, mam.”
Mevrouw keek hem verbaasd aan.
“Maar waarom? Het is mijn kindje.”
“Het is geen kindje. Het is een pop.”
En voordat mevrouw goed begreep wat er gebeurde, pakte hij de pop uit haar armen.
De verandering in haar gezicht was direct zichtbaar.
Haar armen bleven nog even in de lucht hangen.
“Maar… waar gaat mijn kindje heen?”
Ze raakte zichtbaar van slag.
“Mijn kindje… ik moet voor hem zorgen.”
Ze begon te zoeken. De onrust nam toe.
Haar zoon zag het wel, maar bleef bij zijn standpunt.
“Dit is toch niet normaal? Jullie moeten haar niet wijsmaken dat dit haar kind is.”
We probeerden hem uit te leggen dat mevrouw de wereld niet meer beleefde zoals wij die zagen.
Voor haar was de baby op dat moment écht.
Niet omdat ze niet wist wat een pop was, maar omdat haar gevoel belangrijker was geworden dan de werkelijkheid.
“Je kunt haar vertellen dat het een pop is,” legden we uit. “Maar daarmee haal je niet het gevoel weg dat zij moeder moet zijn. Je haalt alleen haar veiligheid weg.”
Dat gesprek was niet meteen klaar.
We spraken meerdere keren met hem.
Over zijn moeder.
Over wie zij vroeger was.
Over hoe belangrijk het moederschap voor haar was geweest.
En vooral over de vraag:
Wat doet het met haar als wij steeds haar werkelijkheid afpakken?
Langzaam begon er iets te veranderen.
Op een middag kwam hij opnieuw binnen.
Zijn moeder zat in de stoel met de baby op schoot.
Hij bleef even staan.
Mevrouw keek naar hem.
“Kom eens kijken,” zei ze trots. “Mijn kindje.”
Hij liep naar haar toe.
Hij keek naar de pop.
Toen naar zijn moeder.
En voor het eerst zei hij niet: ‘Het is maar een pop.’
Hij glimlachte.
“Wat een mooi kindje, mam.”
Mevrouw glimlachte terug.
Ze pakte zijn hand en legde die voorzichtig op het hoofdje van de pop.
“Zie je wel?”
Hij knikte.
“Ja mam. Ik zie het.”
Later vertelde hij ons dat hij het moeilijk vond.
Hij wilde zijn moeder beschermen tegen iets wat volgens hem niet klopte.
Maar hij had begrepen dat het bij dementie soms niet gaat om wat waar is.
Het gaat om wat iemand voelt.
En zolang mevrouw zich veilig voelde, liefde kon geven en gelukkig was met haar baby…
was dat misschien wel het belangrijkste.
De volgende keer dat hij kwam, had hij zelf een klein dekentje meegenomen.
“Voor de baby,” zei hij.
Mevrouw straalde.
“Dank je wel.”
En daar zaten ze samen.
Een moeder met haar baby.
Een zoon naast haar.
En een pop die voor hen allebei inmiddels veel meer was geworden dan zomaar een stukje speelgoed.
Want soms is goede zorg niet iemand terugbrengen naar onze werkelijkheid.
Soms betekent goede zorg dat je even meegaat naar hún werkelijkheid. 💙