Geschiedenis van de VOC
De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) bestond van 1602 tot 1800. In Amsterdam, Delft, Rotterdam, Hoorn, Middelburg en Enkhuizen waren ‘kamers’ gevestigd, die de handel met het Verre Oosten controleerden. De VOC had hoofdkantoren in Amsterdam en Batavia (het huidige Jakarta) en handelsposten in India, Ceylon, Bengalen, Siam, Japan en Afrika: de VOC was de eerste 'multi
national' ter wereld. Er werd niet alleen handel gedreven. Ook de culturele uitwisseling tussen de diverse landen heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de VOC en van Nederland. De VOC kocht goederen uit bijna heel Europa, deels voor de bouw van schepen en deels voor de handelsposten en de handel in Azië: koper uit Duitsland, ijzeren spijkers uit België, stoffen uit Nederland, staal uit Zweden, hennep en teer uit Rusland, kwik uit Engeland en wijn uit onder meer Frankrijk. De Franse wijn werd voornamelijk verhandeld door Franse hugenoten die na het 'Edict van Nantes' in 1685 naar Nederland waren gevlucht. Zij vestigden zich onder anderen in Amsterdam en namen hun kennis over de wijnhandel met zich mee. Onder hen waren wijnhandelaren uit de Bergerac, die toen al wijnen uit die streek - en dan vooral Monbazillac - aan de VOC verkochten. Het VOC Schip de ‘Amsterdam'
Het schip de ‘Amsterdam' was één van de 1700 Oost-Indiëvaarders die in opdracht van de VOC werden gebouwd. De schepen maakten gezamenlijk zo'n 5000 reizen naar het Verre Oosten en brachten welvaart voor de VOC. De mooie panden in diverse steden doen nog denken aan deze Gouden Eeuw van Hollandse welvaart.
'De Amsterdam' werd in 1748 op de VOC scheepswerf in Amsterdam gebouwd en verliet onder leiding van kapitein Willem Klump in januari 1749 de haven van Amsterdam voor zijn reis naar Azië. Drie weken later liep het schip zware averij op voor de Engelse kust tijdens een ongekend zware zuidwester storm. Als noodoplossing zette de kapitein zijn schip op het strand bij het plaatsje Hastings, alwaar het binnen enkele weken wegzonk in de zachte zandbodem. De ‘Amsterdam' is het best bewaarde VOC schip dat bekend is. Zowel de romp als de eerste giek zijn grotendeels intact gebleven. De Berging van het schip
In 1984 begon onder auspiciën van de Nederlandse Stichting VOC schip Amsterdam een archeologische onderzoek naar de ‘Amsterdam'. Drie zomers lang onderzochten duikers het achterste deel van het wrak. Voor het eerst na 235 jaar werd een deel van het onderste dek in het achterschip blootgelegd. Daarbij bleek dat er nog grote hoeveelheden voorwerpen in het zand verborgen lagen, waaronder een beschadigde houten krat met 252 flessen. Vele waren gebroken, maar tussen de scherven vonden de duikers nog 16 intacte flessen. De Wijn VOC Monbazillac
De inhoud van twee van deze flessen werd door TNO in Delft microscopisch onderzocht. Het resultaat werd vergeleken met de rekeningen van de door de VOC in 1748 aangekochte wijnen voor de ‘Amsterdam'. Zo stelden de onderzoekers vast dat het om een Monbazillac uit 1747 ging. De fles die u hierbij aantreft is een exacte replica van de flessen uit 1747, die in het VOC schip 'De Amsterdam' zijn gevonden. Net als in 1747 is deze gevuld met een witte, zoete Monbazillac. Karakter van de wijn & bijpassende gerechten
Monbazillac heeft een goudgele kleur, een fijn bouquet van honing en gekonfijt fruit en een elegante, zoete afdronk. De smaak lijkt op die van Sauternes uit Bordeaux - de gebruikte druivenrassen zijn dan ook dezelfde: sauvignon, sémillon en muscadelle; evenals de wijnbereiding zelf. De trossen blijven lang aan de stokken hangen en worden overrijp. Bij gunstige weersomstandigheden treedt vervolgens ‘nobel rot’ op, de ‘edele rotting’, waardoor de druiven nog meer geconcentreerd worden. De druiven worden handmatig geselecteerd en geoogst. Monbazillac is jarenlang te bewaren en dient gekoeld gedronken te worden. Heerlijk bij desserts, bij blauwschimmelkazen en bij ganzenlever.